Hoofdmenu:
Historie - 1
Marnegebied - Land onttrokken van de zee
Het Marnegebied
eer dan 2000 jaar geleden kwamen er mensen naar dit kweldergebeid en woonden op de wadvlakte achter een duinenrij. Deze vlakte was geheel afgesloten van zee. Tengevolge van veranderende getijenstromen en de zeespiegelrijzing werd de duinenrij door de zee aangetast en ontstond het waddengebied (500 v. Chr.).
De waddeneilanden zijn de restanten van de duinenrij.
Door genoemde inbraken van de zee werd het woonareaal van de kustbewoners strek verkleind. Om zich tegen de zee te kunnen beschermen, moesten de mensen hoger gaan wonen. Hiertoe werden verhoogde woonplaatsen, wierden gebouwd. De mensen leefden vooral van de veeteelt, men weidde schapen op de kwelders. Door behoefte aan grond voor akkerbouw en waarschijndelijk ook mede door de bevolkingsdruk, werden de eerste dijken aangelegd (ong. 1000 jaar na Chr.) Op deze wijze werd b.v. het voormalige eiland De Marne aan de zee onttrokken. De Marne werd begrensd door de Waddenzee en twee stroomgeulen van de oude Hunze.
De bewoningsgeschiedenis
Een paar honderd jaar voor het begin van onze jaartelling trekt er een wondere karavaan door het bos. Vrouwen en kinderen dragen huisraad. Mannen drijven koeien en schapen voort.
De stoet verlaat het bos en trekt over een zandige hoogte door een moerassig veengebied.
Watervogels schrikken op.
Een vlugge ree maakt zich uit de voeten.
De karavaan trekt urenlang voort.
Tegen de avond bereikt men de kustvlakte.
Bomen en struiken zijn er niet.
Wel uitgestrekte vlakten met groen kweldergras.
Door de rijke kwelders slingeren prielen, glinsterende watertjes, waarin zeevogels zich de veren poetsen.
Bij een van de geulen, op een wat hoger gelegen punt, zet de stoet zich neer. Er worden eenvoudige verblijven voor de nacht gemaakt. In de weken, de maanden die volgen, bouwen de mannen in het wijde kwelderland stevige boerenhuizen, die de stormwind kunnen trotseren. Eerst worden twee rijen houten staanders tegenover elkaar geplaatst, die het dak moeten dragen. Daarna volgen de wanden van lichte palen, met daartussen vlechtwerk van takken, dichtgesmeerd met klei. Niet lang daarna komen er nieuwe mensen van de hogere zandgronden naar de vruchtbare kwelderlanden aan de kust. Ook zij hadden ontdekt dat de kwelders zo hoog waren opgeslibd dat je er zonder gevaar kon wonen. Zo verrezen langzamerhand steeds meer groepjes boerderijen in dat vlakke, onmetelijk ruime land.
Men dacht er niet aan terug te gaan naar de bossen op de zandgronden, al ontdekte men later dat het wonen aan de kust ook schaduwkanten heeft. Bij stormweer stroomden de kweldergronden soms plotseling onder water. Vooral in de herfst en winter kwam het zeewater soms zo verraderlijk snel opzetten, dat schapen of koeien erdoor werden meegesleurd. Erger nog, zelfs de kleine nederzettingen op de hoge oeverwallen liepen wel eens gevaar.
De kwelderboeren hielden beraad en stelden vast, dat zij hun boerderijen en rijke kweldergronden niet wilden prijsgeven. En dat betekende dat zij geen keus hadden. Hun nederzettingen zouden moeten worden opgehoogd, zodat de mensen en dieren bij plotselinge aanvallen van de zee veilig zouden zijn.
De mannen gingen flink aan het werk. Zij sleepten karrenvrachtenklei en kwelderzoden aan. En zij verhoogden daarmee de plaatsen waar zij woonden. Als het nodig was braken zij zelfs boerderijen af, hoogden de gronden op en bouwden nieuwe hoeven. In de jaren die volgden gingen zij door met dit werk. Voor een deel heel bewust, maar ook onopzettelijk, doordat een nederzetting nu eenmaal heel wat afval produceert, zoals huisvuil en mest. Het was trouwens belangrijk dat de nederzettingen steeds wat hoger kwamen te liggen. Want door inklinking van de kleibodem en het smelten van ijsbergen, steeg de zeespiegel regelmatig.
In de loop van vele jaren, lange eeuwen, ontstonden in het kwelderland honderden kleine en grote woonheuvels. Op het hoogste punt van de woonheuvels lag vaak een dobbe, een drinkwatervijver. Daar vandaan liepen kleine weggetjes naar de boerderijen. Deze stonden meestal aan een ringweg, die om de wierde heenliep. De woonheuvels werden later terpen en wierden genoemd. Het woord wierde dat uit Groningen stamt, is het oudst.
De bewoningsgeschiedenis van het gebied waartoe we het Halfambt (NW-Groningen) rekenen, stond in de vroegste perioden in nauwe relatie met het oorspronkelijk verloop van de rivier de Hunze. De rijpe, bewoonbare kwelder die omstreeks 6oo voor Chr. nieuwe bewoners heeft aangetrokken, was langs de boorden van de Hunze tot brede wallen opgeslibd (nu 10 tot 20 cm onder NAP). Achter deze kwelderwallen was de grond drassig en er ontstond veen vorming. De eerste nederzettingen lagen dus ter weerszijden van de Hunze, aan de oostzijde in de lijn Adorp-Winsum-Baflo-Warffum, aan de westzijde in de lijn Dorkwerd-Garnwerd-Ezinge-Houwerzijl.
Uit overeenkomsten tussen bijvoorbeeld aardewerkvormen, huizenbouw en cultuurgewassen is duidelijk af te leiden dat de eerste bewoners afkomstig zijn van de hogere zandgronden. Om hier te komen moeten ze langs de oevers van de Hunze noordwaarts zijn getrokken. Andere verbindingen zijn niet denkbaar, omdat zich tussen de zandgronden en de kleigebieden uitgestrekte moerassen bevonden.
Van een vroege nederzetting zijn onder de wierde van Ezinge sporen gevonden tijdens het onderzoek door professor A. E. van Giffen in de jaren 1923-1934. Op de kwelder (20 cm onder NAP) heeft daar een erf gelegen omgeven door een omheining van vlechtwerk.
Op het erf heeft een boerderij met schuurtjes gestaan, alles van hout gebouwd. De boerderij bestond uit een woongedeelte en een stalgedeelte binnen één ruimte, over de wand gemeten 6 x 13 m. Deze eenvoudige vorm van nederzetting was mogelijk zo lang er geen overstromingen waren. Toen omstreeks 525 voor Chr. een nieuwe transgressiefase begon, werd het noodzakelijk om de woonplaatsen kunstmatig te verhogen. In eerste instantie lagen daarmee huis en haard op een droge plek. De omgeving kon echter nog regelmatig onder water staan en slibde daardoor ook weer hoger op. De reacties van de bewoners op de periodiek optredende ovenstromingen zijn als volgt samen te vatten:
- Steeds werd de woonplaats, het erf opgehoogd, waardoor tijdens een langere bewoning afwisselend lagen klei en afval (mest) in de wierde ontstonden, vaak tot een hoogte van 5 meter boven NAP.
- Bundeling van krachten leidde tot concentratie van bewoning, dus tot het samengaan van verschillende erven in één grote wierde.
Dit had enerzijds tot resultaat dat er dorpswierden ontstonden, terwijl anderzijds een aantal kleinere wierden werd verlaten. Ook leidde het aaneengroeien tot een onregelmatige vorm, zoals te Maarhuizen, waar de individuele hoogtes nog herkenbaar zijn. De wierde werd niet alleen vergroot ten behoeve van de groeiende bevolking, maar ook om een deel van akkerbouw mogelijk te maken. Soms werd daartoe de wierde rondom vergroot, maar ook kennen we langgerekte verhoogde akkers.
In beide gevallen spreekt men wel van valge (Westervalge bij Warffum, de valge bij Leens). De tekeningen van het profiel van de wierde Rasquert, gemaakt tijdens de afgravingen in de jaren 1928-1930 en 1934, geven een duidelijk beeld van de verschillende ophogingslagen en de daarmee gepaard gaande uitbreidingen.
In de loop der jaren slibde niet alleen de oude kwelder hogerop, maar er werden ook nieuwe kwelders gevormd in de trechtervormige monding van de Hunze. Omstreeks het begin van de jaartelling was de aanwas aan de westzijde gegroeid van Ezinge tot en met Schouwen. Aan de oostzijde groeide de kwelder van de lijn Winsum-Baflo tot en met Eenrum en Groot Maarslag.
In die nieuwe kwelders ontstonden ook nieuwe wierden, die vanuit de bestaande werden bevolkt, zoals Maarhuizen, Groot en Klein Maarslag, Lutke Saaxum en Eenrum. Hoewel aanvankelijk de monding van de Hunze nog tussen Schouwen en Groot Maarslag lag, moet deze in de eerste eeuwen van onze jaartelling door de aanslibbing van het Marne-gebied reeds toen zijn versmald en verder noordwaarts zijn verplaatst, tussen Wehe en Eenrum. Bovendien hebben zich op regelmatige afstanden kwelderwallen gevormd die globaal oost-west verlopen.
Van zuid naar noord zijn onder andere te onderscheiden:
- de rug ter hoogte van Warfhuizen-Houwerzijl;
- de rug Wehe-Leens-Ulrum-Vierhuizen;
- Grijssloot;
- Kloosterburen-Hornhuizen.
Deze ruggen zijn ook de aangewezen plaatsen voor de vestiging van nieuwe bewoners geweest. Eerst gebeurde dit zonder kunstmatige verhoging, maar later ontstonden ook daar noodgedwongen series individueel verhoogde woonplaatsen en wierden. Zo is de bewoning op de westelijke Tuinster wierde, pal ten zuidwesten van Verhildersum, waarschijnlijk in de negende eeuw begonnen. Hoewel deze jonge wierden door de hogere grondslag minder hoog lijken dan die van de oude nederzettingen, ligt de kruin ook hier op circa 5 meter boven NAP. De jongere kleine wierden op de meer noordelijk gelegen ruggen worden wel groene wierden genoemd en dateren voor het merendeel uit de elfde en twaalfde eeuw.
WAT WAREN WIERDEN?
De wijde vlakte van de Groninger Ommelanden wordt op tal van plaatsen onderbroken door een aantal grote en kleine zacht glooiende hoogten, in totaal ongeveer 200, die bekend staan onder de naam wierden, in Friesland terpen. In grootte variëren ze nog al. Men heeft er van minder dan één bunder, maar ook die een oppervlakte van 15 bunder nog overschrijden. Ook in de Marne treft men ze aan. Midden door de Marne, van Oost naar west, over een afstand van ongeveer acht kilometer zelfs elf, namelijk de wierden van Wehe, de twee Tuinsterwierden, de Leenster, twee op de Houw, twee te Ulrum, en dan nog één te Elens, Menneweer en Vierhuizen. Verder vindt men er twee rijen langs de oude Hunzebeddingen, met de grote wierde van Schouwen als hoekpunt; de ene rij liep vandaar naar het noorden met onder andere de dubbelwierde van Warfhuizen, de andere naar het westen, met onder andere de kleine wierde van Zuurdijk en de dubbelwierde van Ewer.
In vroegere tijden werd hun aanwezigheid als iets vanzelf sprekend aanvaardt en men brak zich het hoofd niet over de raadselen, die deze geheimzinnige hoogten aan de mens voorlegden en waarvan ze de oplossing in hun diepste geheim verborgen hielden. Pas in het begin van de negentiende eeuw werd een tipje opgelicht van de sluier, die de geheimenissen van de wierden bedekte en voor het oog van de mensen verborgen hield. Bij opgravingen in de wierden kwam namelijk aan het licht, dat deze rijke mestlagen bevatten. En daarnaast vond men tal van voorwerpen, die slechts door mensenhanden vervaardigd konden zijn. Deze vondsten zetten de mensen aan het denken en tal van onderzoekers hebben hun beste krachten gegeven om het wierden vraagstuk op te lossen.
* Het beroemde paardenskelet uit de wierde van Ezinge (Gr.) dat in het Groninger museum wordt bewaard.
Het meest succesvol is wel geweest professor Van Giffen, die zich sinds 1916 – het oprichtingsjaar van de Vereniging voor Terpenonderzoek - bezig houdt met de wierden studie. Aan hem vooral is het te danken, dat tal van vraagstukken, die met het wierden probleem samenhangen, tot een oplossing zijn gekomen. Wij weten nu, dat alles mensenwerk is geweest en dat de wierdenbouw de eerste fase is geweest in de strijd tegen de zee. De tweede fase is geweest de dijkenaanleg. Beide zullen samengehangen hebben met de aan- of afwezigheid van een voldoend talrijke mensengemeenschap. Toen het bevolkingsgetal klein was, bouwde men wierden; toen het groter werd ging men over tot de aanleg van dijken. Het scheidingspunt ligt omstreeks het jaar 1200; voor dat jaar overheerste het wierdensysteem, na dat jaar het poldersysteem. Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat voor 1200 geen dijken zouden zijn aangelegd; deze waren er al eeuwen tevoren, ook de oude Romeinen kenden ze al. Ze zullen echter niet de allesomvattende taak hebben gehad, die ze na ongeveer 1200 kregen, toen de wierden aanleg, en de ophogingen daarvan, gestaakt werd.
Want niet alle wierden zijn even oud. De oudste daarvan zullen in aanleg dateren van ongeveer 300 voor Christus; toeneming van bevolking had de bouw van meerdere wierden ten gevolge. Ook de dubbelwierden zullen waarschijnlijk aan die toename hun ontstaan te danken hebben. De voor enige jaren afgegraven Tuinsterwierde te Leens werd in ongeveer 700 aangelegd; uit de vondsten kon men de stichtingstijd opmaken. Wil men de ouderdom van een wierde onderzoeken, dan moet men steeds tot aan de wierdezool doorgraven, want daar bevindt zich het oudste gedeelte. De bovenlaag is veel jonger en bevat weinig of helemaal geen oudheden. Is men echter bij het graafwerk de bovenlaag gepasseerd, dan komt men aan een laag, waar men tal van sporen ener vroegere bewoning aantreft. Men vindt er mest lagen, paalwerk, aardewerk en scherven daarvan, voorwerpen van been of metaal, eens voor menselijk gebruik bestemd, en tal van andere dingen. Nu eens hoger, dan weer lager, vindt men dit alles tot aan de zool van de wierde toe.
Men kan er uit opmaken dat tal van generaties zo'n wierde als hun woonplaats hebben gehad.De overblijfselen van de oudste vindt men dus onder in de wierde. De wierde had toen dus niet de hoogte, die ze verscheidene eeuwen later zou bereiken. Latere geslachten hebben ze voortdurend opgehoogd door het laten liggen van mest, stro en riet en ook door het aanbrengen van slib, dat men ging uitgraven uit een sloot die de wierde omringde. In de loop van de eeuwen groeide de wierde dus, tot ze omstreeks het jaar 1200 haar grootste hoogte, ongeveer 5 meter, en haar grootste uitbreiding van ongeveer 16 bunder bereikte.
* Dit vond men bij het afgraven van de wierde van Ezinge (Gr.)
De oudste nederzettingen waren maar zeer klein en bestonden uit misschien 4 of 6 zeer primitieve woningen. Latere geslachten bouwden daar weer boven, op een door ophoging ontstaan hoger woonvlak, dikwijls zonder de resten van vorige woningen te verwijderen. Zo komt het, dat bij het onderzoek verschillende woonlagen boven elkaar, en ook door elkaar, worden aangetroffen. De bevolking leefde zeer primitief, in de eerste jaren als vissers, jagers en veehouders, later als veehouders, jagers en vissers, dus precies zo, alleen met verlegging van accent Aan het veehouderschap herinneren nog de wegen, die in de Marne vanaf de wierden naar het noorden liepen. Dit waren oorspronkelijk de brede paden, waarlangs het vee naar de kwelder gedreven werd en die vermoedelijk iets hoger dan het naastliggende kwelderland zullen hebben gelegen. Deze wegen bestaan thans nog; twee er van zijn verhard Van Elens liep naar het noorden de Noorderweg, van Ulrum de Telings of Schaapweg, van de Houw de Berwielster of Torenweg, van Leens de Breekweg en van de westelijke Tuinsterwierde de Schaapweg. De naam Schaapweg, die dus tweemaal voorkomt, geeft nog een duidelijke aanwijzing van het vroegere gebruik.
EEN WIERDEBOERDERIJ VOOR 2000 JAAR
Het is een zeer lange weg geweest, meer dan 2000 jaar; die voor ons Groninger Hogeland vanaf de sobere en meer dan armoedige samenleving op de wierde leidde tot het rijk gevarieerde landschap, dat zich thans aan ons oog vertoont. Toen een kaal landschap van kwelders en slikken, doorsneden door tal van prielen en geulen, waar de schaarse bevolking een nog maar half veilige woonstee vond op de door hen zelf aangebrachte hoogten, de wierden.
Thans een weelderige streek, waar landbouw en veehouderij hoogtij vieren met tal van kleinere en grotere dorpen, waar de kerktorens uitsteken boven hoog opgaand geboomte, en honderden boerderijen, die door haar grootte en voornaamheid het landschap een eigen cachet verlenen. Die ontwikkeling van toen tot thans, is niet langs lijnen van geleidelijkheid verlopen.
Verschillende vormen die gedurende deze periode, die lang was, aan Noord-Groningen een bepaald karakter verleenden, zijn in die tijd opgenomen en ook reeds weer geheel of ten dele verdwenen. Ik denk hierbij aan de tijdperken waarin de borgen met hun grote tuinen en singels en oprijlanen het landschap een bepaalde vorm gaven. Of, enkele eeuwen vroeger, waarin de kloosters, met hun eigenaardige samenleving en bedrijvigheid, in de plattelandswereld een belangrijke plaats innamen. Ze zijn er niet meer en het zijn thans in hoofdzaak de boerderijen, die het karakter van het landschap bepalen. Ook deze boerderijen hebben een grote verandering ondergaan.
De veranderde bedrijfsvoering in de laatste twee eeuwen, waarbij de landbouw in steeds toenemende mate de veeteelt ging vervangen - een ontwikkeling, die reeds in de achttiende eeuw een aanvang nam - leidde tot de bouw van de kapitale schuren, die met de grote voorgebouwen onze Groninger boerderijen tot zulk een imposant geheel maken. De oude, zogenaamde Groninger schuren, die men voor deze ,,Friese” had, waren veel kleiner en hadden ook een andere indeling. Wanneer men echter van dezen oude "Groninger” schuren terugwijst naar de schuren uit de wierdetijd, dan ligt daar nog een hele ontwikkeling tussen. Hoe zag zo'n wierdeboerderij omstreeks het begin van onze jaartelling er uit? Van professor Van Griffen is daarover enig licht gegeven. In de vorige eeuw kon men zich daar nog totaal geen voorstelling van maken.
Omstreeks 1930 kwam bij de afgraving van de wierde van Ezinge, heel onderin, het restant bloot van een nietig gehuchtje bestaande uit een vijftal gebouwen, en uit deze overblijfselen heeft men kunnen opmaken, welke vorm ze oorspronkelijk gehad zullen hebben. Dak en gebinten ontbreken, ze waren in de loop van de tijd vergaan, alleen het benedengedeelte, het paalwerk en de wanden, waren voor een deel behouden gebleven. Het materiaal kon de druk van de eeuwen niet verduren; steen was er niet bij gebruikt en slechts de zwaarste houtconstructie bestonden uit eikenhout; verder werd ook het hout van wilgen en berken benuttigd. Uit de stand van het paalwerk en de wijze, waarop het gebruikt werd, heeft men kunnen opmaken hoe de bovenbouw moet zijn geweest. De gebouwen waren boerenwoningen met tamelijk steil oplopende daken, ook aan de voor en achterkant, waarvan de gevels vermoedelijk niet hoger waren dan de zijgevels.
Deze daken werden inwendig gesteund door twee rijen stevige palen, evenals in onze tegenwoordige boerenschuren het dakverband nog rust op twee rijen zware zuilen. Aan de beide lengtezijden van het gebouw staken de daken hier nog overheen en steunden uiteindelijk op een rij kleine paaltjes, die het gehele rechthoekige bouwwerk als een ring omgaven.
De wanden zelf waren tamelijk zwak; ze bestonden veelal uit een vlechtwerk van berkenrijs, bepleisterd met koemest en hierdoor enigszins beschermd tegen de op den duur vernietigende werking van zon, regen en wind. Als dakdragers vervulden de paaltjes een belangrijke dienst; zij immers waren aan twee zijden de mededragers van het dak, dat voor de zwakke "tuin' wanden al heel spoedig te zwaar zou kunnen worden, al bestond het maar uit riet. Door deze bouwwijze ontstond een ruimte, die door twee rijen zuilpalen in drieën was verdeeld, namelijk een brede middenhal, die blijkbaar als woonruimte dienst deed, te oordelen naar de aanwezigheid van een of twee haardsteden, en twee smalle zijruimten, die zich bevonden tussen de palen en de vlechtwanden.
Dit ,,hallenhuis” met een rookgat boven de haardstee heeft zich gedurende verscheidene eeuwen in deze vorm kunnen handhaven. Sommige van deze hallenhuizen waren uitsluitend woonhuis, in andere was ook plaats voor het vee, of zelfs alleen voor het vee, dat vermoedelijk stalling vond in de zij beuken. Het hoofdbedrijf van de bewoners was de veehouderij, waarmee ook reeds de boter en kaas bereiding verbonden was. Het waren vooral koeien en schapen die men er op na hield, daarnaast echter ook varkens, kleine paardjes en pluimvee. Als drinkplaats had men op de meest geschikte plaats een vijver; gewoonlijk werd deze fading of feding genoemd.
In Eenrum herinnert het vroegere, thans dicht geworpen Fait daar nog aan. Ook trof men op de wierden herhaaldelijk putten aan voor de berging van zoet water; soms zijn de wanden van vlechtwerk opgezet. De afmetingen van de wierde boerderijen waren uiteraard veel kleiner dan die van de tegenwoordige; toch is er nog een gevonden met een breedte van 7,20 meter en een lengte van minstens 23 meten De meeste waren minder groot en hadden afmetingen van ongeveer 7 bij 10 meten. Of er speciale bergplaatsen waren voor hooi en andere voorraden is niet zeker; al wijst de aanwezigheid van een aantal paaltjes bij elkaar er op, dat daarop misschien eenmaal een verhoogde vloer heeft gelegen, waarop men de geborgen voorraden tegen de mogelijkheid van overstroming ging beveiligen. Al met al blijkt wel, dat het in zo’n wierde boerderijtje geen comfortabel wonen was en dat het leven van de bevolking in die dagen hard en moeilijk moet zijn geweest.