Alles van het MARNEGEBIED


Ga naar de inhoudsopgave

Hoofdmenu:


Stormvloed-Rampen

Historie - 1

Marnegebied - Stormvloeden en rampen in het Marnegebied


eer dan 2000 jaar geleden kwamen er mensen naar dit kweldergebeid en woonden op de wadvlakte achter een duinenrij. Deze vlakte was geheel afgesloten van zee. Tengevolge van veranderende getijenstromen en de zeespiegelrijzing werd de duinenrij door de zee aangetast en ontstond het waddengebied (500 v. Chr.).


De waddeneilanden zijn de restanten van de duinenrij. Door genoemde inbraken van de zee werd het woonareaal van de kustbewoners strek verkleind. Om zich tegen de zee te kunnen beschermen, moesten de mensen hoger gaan wonen. Hiertoe werden verhoogde woonplaatsen, wierden gebouwd.

De mensen leefden vooral van de veeteelt, men weidde schapen op de kwelders. Door behoefte aan grond voor akkerbouw en waarschijndelijk ook mede door de bevolkingsdruk, werden de eerste dijken aangelegd (ong. 1000 jaar na Chr.)

Op deze wijze werd b.v. het voormalige eiland De Marne aan de zee onttrokken.

De Marne werd begrensd door de Waddenzee en twee stroomgeulen van de oude Hunze. De westelijke tak is nu nog terug te vinden als het Reitdiepdal. Als restant van de noordelijke tak is nog een stelsel van maren overgebleven (o.a. Broekster-, Pieterbuurster- en Westernijlandster Maar.) Vanuit het omdijkte land ging men verder met inpolderen.

Zodra de kwelder hoog genoeg opgeslibt was, werd een nieuwe dijk gelegd op de kwelderrand. Een voorwaarde voor het leggen van een dijk was saamhorigheid van de bevolking, want de dijk moest in een kort tijdsbestek gedurende een zomer worden opgeworpen.
Dat de dijken vroeger veel lager en zwakker waren dan tegenwoordig, spreekt voor zich. Ze raakten daardoor eerder overspoeld. Een ander facet was echter meestal nog veel meer van belang. Iedere aanzwettende grondeigenaar had een eigen stuk dijk. Maar aan deze saamhorigheid schortte het in het verleden nog wel eens, zodat er soms erg zwakke stukken in een dijk voorkwamen, die gemakkelijk doorbraken, alleen al van 1164 tot 1651 zijn er in Groningerland meer dan 40 overstromingen geweest. Bij een daarvan, in 1277, is de Dollard ontstaan.


Uit de historie zijn vele beruchte vloeden bekend; de meest rampzalige waren:
- Elizabethsvloed 1421
- St. Catharinavloed 1516
- Pontiusvloed 1552
- Allerheiligenvloed 1570
- St. Maartenvloed 1686
- Kerstvloed 1717


Een van de allerergste watervloeden was de Allerheiligenvloed van 1 en 2 november 1570, toen het zeewater tot voor de poorten van de stad Groningen stond en men bij Oosterhogebrug kabeljauw ving. In dat jaar verdronken in de provincie Groningen 9000 mensen en meer dan 70.000 ''hoornbeesten''.

Ook door de Sint Maartensvloed van 12 en 13 november 1686 werd de provincie zwaar getroffen. De stad Groningen lag als een eiland midden in een grote zee en stuurde al wat ze aan schepen en mankracht had, er op uit, om te redden wat er te redden viel. 1585 mensen verdronken, en duizenden stuks vee. Dorpen als Pieterburen en Uithuizen verdwenen van de aardbodem.

En de dijken waren ook niet bestand tegen de Kerstvloed van 25 december 1717.
Dagen daarvoor was de waterstand heel laag geweest, met een stormwind uit het Zuidwesten. Die blies het water weg. Maar in de nacht van de 24ste december 1717 liep de wind met de kracht van een orkaan naar het Noordwesten.
"De zeewateren liepen stromelings over alle dijken, verscheurende alles wat haar aanval enigszins tegenstand geboden mocht hebben".
In de vroege zaterdagmorgen van de eerste Kerstdag viel het zeewater overal Groningerland binnen. In de stad stuurde men er mensen te paard op uit, om poolshoogte te nemen, maar kwamen weldra overstuur terug om te melden, dat het water in aantocht was.

Alleen al in de dijken van Hunsingo waren 50 gaten geslagen, over grote afstanden waren de dijken gewoon weggeschoven, alsof ze er nooit waren geweest. Diezelfde avond stond het water in de stad hier en daar 50 cm hoog. De stad stuurde turfschepen en andere vaartuigen met brood, bier en water er op uit om hulp te bieden waar dat mogelijk wasÖ.
Maar vaak kwam hulp te laat!

Tijdens de Kerstvloed werden er in Groningerland 1430 huizen verwoest, terwijl er 2091 mensen verdronken, 11441 "hoornbeesten" 3063 paarden, 1277 varkens en 20923 schapen.
Hartverscheurende taferelen hebben zich hier bij afgespeeld:

* Op Kerstdag is een zeker man op het stuk van zijn huis, bij zich hebbende zijn dochter, die reeds het leven had afgelegd, van Saaxumhuizen tot in de Harkstede gedreven en aldaar geborgen.
* Abel Jacobs van Pieterburen, drijvende met zijn vrouw en dekknecht op een stuk van hun huisdak (zijnde reeds hun kinderen, vijf in getal, verdronken, alsook de meid, niettegenstaande deze aan een boom was geraakt, in hun aanzien is omgekomen), is buiten weten van zijn vrouw en de knecht van het dak afgevallen en ellendig verdronken, maar de vrouw en de knecht zijn met dit dak gedreven tot aan Baflo, aldaar behouden aangekomen en uit het doodsgevaar gered, echter was de vrouw zeer smartelijk om het verlies van haar man en kinderen.
* In Kloosterburen sloeg een tjalk van 50 last over de dijk. Het schip dreef tegen het huis van een schoenmaker aan, waardoor 10 mensen op het schip konden klimmen. Bij Molenrij kwam het schip vast te zitten en daardoor konden er nog 30 op het schip komen, die allen werden gered.
* Jan Jaspers te Eenrum had zich in een boom geplaatst. Derk Lands en enige anderen hebben getracht, met een praam daar naar toe te varen, wat "door de verbolgen tegenwind" niet gelukte. Jan Jaspers zag dat en wees Derk op een bult stro of koren, die aan kwam drijven. De praam voer naar de drijvende bult. Daarboven op zaten een man, een vrouw, een meid, vier kinderen en een hond, die van Hornhuizen naar Eenrum waren gedreven. Allen werden op de praam geborgen.
De volgende dag, toen de wind wat was gaan liggen, voer Derk Lands met zijn makkers weer naar de boom, om Jan Jaspers te redden.
Maar de boom was leeg. Waarschijnlijk is Jan Jaspers, door de kou bevangen, uit de boom gevallen en verdronken.


"Hoe vreeslijk, de Waater-Magten
De Dijk van 't Land vol Gaaten bragten:
Hoe d' onbedwongen Zee-vloed suusde,
En door de Kolken heenen bruusde;
Hoe onbeschrijfelijk de Golven,
Gehiel verwoed, het Land bedolven;
Hoe grouwsaam 't Baargebons de huusen
Verbrak en dese meest vergruusen;
Hoe seer benaut selvs veele Lieden
Ook sogten 't Doodsgevaar t'ontvlieden
Op Huusen, Daaken, Balken, Boomen,
Allom beknelt, met soute stroomen;
Soo kindren, Knegten, Mannen, Vrouwen.
't Was deerelijk om aan te schouwen!"


schrijft A.E.G., de acteur van het "Opregt en naukeurig historis-verhaal van de Waater-vloed, voorgevallen in de provincie van Groningen, op Kerstdag den 25 December Anno 1717"
Deze Kerstvloed werd ook wel Midwintervloed genoemd.

Nog enkele rampen:
Een hoge waterstand door harde zeewind heeft ook in de Groninger geschiedenis regelmatig tot dijkdoorbraken en watersnoden geleid. Van de bekende stormvloeden is het zeker dat de Allerheiligenvloed (1570), de Sint-Maartensvloed (1686) en de Kerstvloed (1717) behalve veel schade ook een groot aantal mensen- en dierenlevens hebben geŽist. Voor 1570 geldt als meest betrouwbare een schatting van 4.000 ‚ 5.000 slachtoffers, voor i686 bijna 1.600 en 1717 meer dan 2.000. Afgezien van meldingen inzake 838 dateren de eerste berichten over stormvloeden in het gebied van de provincie Groningen uit de 12de eeuw, waaronder de Sint-Julianavloed (1164) en de Sint-Nicolaasvloed (1196). Enkele vloeden uit de I3de eeuw zijn beschreven door de abten Emo en Menko. Bij de Sint-Marcellusvloed (1219) zouden duizenden mensen verdronken zijn. Verder noemen zij 1220, 1221 en 1246 als overstromingsjaren; in 1257 moet het zeewater Woltersum hebben bereikt en in 1288 Garmerwolde. In 1287 zijn mogelijk 20.000 mensen omgekomen. Veel berichten over vloeden in de periode 1300-1500 zijn niet betrouwbaar, maar zware stormen met grote wateroverlast moeten er zeker zijn geweest. In het begin van de 16de eeuw is vooral de Dollard regio herhaaldelijk getroffen.

Na de Allerheiligenvloed (1570) volgde moeizaam dijkherstel, dat ettelijke keren teniet is gedaan door het watergeweld. In 1587 en 1588 stonden de Ommelanden weer blank en dit patroon herhaalde zich in te veel jaren om op te noemen, met name in 1643. De vloed van 1651 zorgde voor aanzienlijke schade bij de Eems en in 1665 liep het gehele Oldambt gevaar. In 1715 stonden veel polders onder water na een zware storm. Door de Kerstvloed (1717) bezweken bijna alle kustdijken. Herstel vond plaats onder leiding van Thomas van Seeratt. Het bijeenbrengen van de benodigde gelden leidde in 1718 tot een volkstumult in Aduard. Sindsdien zijn de rampen van beperktere omvang gebleven. In 1825 was de materiŽle schade groot en in 1877 verdronken enkele tientallen mensen aan Groninger en Duitse zijde. De stormvloeden van 1906, 1916 en 1953 troffen de provincie Groningen niet. Wel kwam door de laatste de afsluiting van de Lauwerszee (1969) in een stroom versnelling. Men had vroeger de gewoonte overstromingen te noemen naar de heilige, die op de rampdag volgens de heiligenkalender werd geŽerd. En het blijkt dan dat er heel wat heiligen aan te pas moeten komen voor naamgeving van de overstromingsrampen. Zo kennen wij de Juliana's vloed, een Sint-Lambertusvloed, een Valentijnsvloed, een Sint-Felixvloed, een Sint-Gallusvloed, een Sylvestervloed, een Sint-Lucasvloed, een Sint-Maartensvloed, een Sint-Clemensvloed, een groot aantal Allerheiligenvloeden, Kerstvloeden enzÖ..


Terug naar de inhoudsopgave | Terug naar het hoofdmenu